joop2

2014

December

Fausto Coppi

Fausto Coppi (Castellania, 15 september 1919 – Tortona, 2 januari 1960) was een Italiaans wielrenner. Zijn grote prestaties leverden hem de bijnaam ‘Il Campionissimo’, kampioen der kampioenen, op.

Coppi was een zeer veelzijdig renner en boekte in zijn wielercarrière tal van successen, waaronder vijf eindzeges in de Ronde van Italië en twee eindzeges in de Ronde van Frankrijk. Op het gebied van eendagskoersen won hij onder meer vijfmaal de Ronde van Lombardije, driemaal Milaan-San Remo en eenmaal Parijs-Roubaix. Voorts behaalde Coppi in 1953 de wereldtitel en vestigde hij in 1942 een nieuwerelduurrecordCoppi begon zijn sportloopbaan in 1937 als nieuweling. Als zodanig won hij een wedstrijd in Castelletto. Amateuroverwinningen boekte hij in 1938 en 1939 in Padua, Susa, Penici en Varese. In 1940 werd hij professional. In 1943 en 1944 nam hij niet aan wedstrijden deel, omdat hij als krijgsgevangene in Tunesië verbleef.

Successen

In 1949 en 1952 won Coppi de Ronde van Frankrijk en in 1940, 1947, 1949, 1952 en 1953 de Ronde van Italië. Coppi slaagde in 1949 als eerste renner ooit in het winnen van de dubbel Ronde van Frankrijk en Ronde van Italië. In 1952 wist hij dit huzarenstukje te herhalen.Hij vestigde een nieuw werelduurrecord in 1942 (45,871 kilometer), dat pas in 1956 door Jacques Anquetil verbeterd werd.In de klassiekers kende hij ook veel succes: in 1946, 1948 en 1949 won hij Milaan-San Remo, in 1953 won hij het wereldkampioenschap in Lugano, in 1946, 1947, 1948, 1949 en 1954 won hij de Ronde van Lombardije en in 1950 won hij Parijs-Roubaix. Ook won hij de Waalse Pijl, eveneens in 1950. Als beste renner van het jaar werd Coppi in 1949 de Desgrange-Colombo-beker toegekend. In 1947, 1949 en 1953 werd hij winnaar van de Trofee Gentil.

Titanenstrijd met Bartali en de Witte Dame

Tijdens zijn carrière behaalde Coppi in totaal 153 overwinningen. De rode draad tijdens zijn carrière was de rivaliteit met zijn landgenoot Gino Bartali. Die rivaliteit verdeelde het naoorlogse Italië in twee kampen waartussen je niet neutraal kon blijven. Zo had je vooral katholieken die Bartali steunden en Coppi verfoeiden omwille van zijn affaire met Giulia Locatelli (meisjesnaam Occhini), ook wel de Witte Dame genoemd.

Coppi’s verboden liefde voor de Witte Dame in het katholieke Italië van de jaren 50 verdient nadere toelichting. Hij was ongelukkig getrouwd met Bruna maar hervond zijn lust in leven én wielrennen toen de Napolitaanse Giulia Locatelli (eveneens getrouwd en wel met dokter Locatelli) in zijn leven kwam. Omdat zij altijd in witte kleding heimelijk bij de finish stond opgesteld, werd ze La Dama Bianca ofte wel “de Witte Dame” genoemd.

Coppi heeft altijd beweerd dat zijn wereldtitel op de weg in ’53 in Lugano het resultaat is geweest van zijn gevoelens voor Giulia die hem had toegezegd bij de finish op hem te zullen staan wachten, deze keer in zwarte kleren. Beroemd is dan ook de foto waarop de kersverse wereldkampioen van zijn geliefde de bloemen krijgt overreikt. Deze foto heeft destijds in Italië een grote schok teweeg bracht omdat toen pas echt duidelijk werd wat deze twee gehuwden voor elkaar voelden. In 1955 schonk zij hem de liefdesbaby Faustino (tegenwoordig architect in Novi Ligure waar ook de Villa Coppi staat, het huis waar Coppi jaren heeft gewoond) die echter in Buenos Aires ter wereld moest komen vanwege al de heisa die deze “verboden liefde” in Italië met zich meebracht.

Overlijden

Coppi liep in het najaar van 1959 in Opper-Volta, het huidige Burkina Faso, malaria op. Hij deed daar min of meer voor de grap mee aan een koers. De dokters in Italië herkenden zijn ziekteverschijnselen in eerste instantie niet en gaven hem medicijnen ter bestrijding van een longontsteking. De toegediende medicatie versnelde echter zijn ziekteproces. Op 2 januari 1960 overleed hij op veertigjarige leeftijd.

Op diverse cols (Maddalena, Izoard, Stelvio, halverwege de Sella/Gardena en de Pordoi, bij het wielrenkerkje Madonna del Ghisallo nabij Como) in Italië en Frankrijk staan standbeelden van en monumenten voor Coppi. Op de foto een monument dat in 2000 bij Canazei is opgericht. Bij zijn graf in zijn geboorteplaats Castellania is hij samen met zijn broer Serse (die omkwam bij een wielerkoers, won overigens ook ex aequo Parijs – Roubaix) vereeuwigd in een manshoog beeldhouwwerk.Elk jaar wordt een cyclosportief ter ere van Coppi gereden in Cuneo. Duizenden deelnemers hebben dan allemaal hetzelfde shirt aan met daarop de beeltenis van Il Grande Fausto.Tijdens de Ronde van Italië wordt er een speciale bonus uitgereikt, de Cima Coppi, voor de eerste renner die het hoogste punt van die ronde bereikt .Fietsmerk Coppi voornoemde Faustino heeft later aan de wielrenfiets-fabriek Masciaghi zijn toestemming gegeven om Fausto Coppi-fietsen te maken. De ploegen Polti en MG Technogym reden op Coppi-fietsen. Gianni Bugno, Luc Leblanc en Michele Bartoli zijn slechts een aantal van de renners die triomfen hebben gevierd op dit fietsenmerk.

September

LUIK BASTENAKEN LUIK  DEEL 3
In de jaren ’90 wonnen er drie Belgen de Waalse klimklassieker. Eric Van Lancker deed dat in 1990, Fons De Wolf in 1992 en de betreurde Frank Vandenbroucke in 1999 die toen in feite de hegemonie van Michele Bartoli verbrak. Bartoli won zowel in ’97 als ’98 op vrij imponerende wijze Luik-Bastenaken-Luik. Het jaar nadien was dat eventjes anders hoewel Bartoli een halve week voor La Doyenne van ’99 op imponerende wijze de Waalse Pijl op zijn naam schreef. De beelden van een duellerende Bartoli en Vandenbroucke op La Redoute staan in ieder wielerliefhebber zijn geheugen gegrift. Vandenbroucke deed Bartoli hier ontploffen en zou een uurtje later triomferen in Luik na een demarrage op de Saint-Nicolas, zoals hij voor aanvang van de wedstrijd beloofde. Luik zou zijn hoogtepunt zijn, maar ook het begin van een val die niemand heeft kunnen tegenhouden.

Na Vandenbroucke was het weer een tijdje wachten tot een Belgische winnaar. Dat gebeurde pas vorig jaar. Philippe Gilbert klopte de broertjes Schleck in de sprint en zorgde hiermee voor een unicum door het vierluik Brabantse Pijl, Amstel Gold Race, Waalse Pijl en Luik-Bastenaken-Luik in anderhalve week te winnen. Tussen Vandenbroucke en Gilbert waren het voor de Belgen maar magere jaren. Paolo Bettini, Alejandro Valverde en Alexandre Vinokourov wonnen de Ardennenklassieker intussen tweemaal. Hoewel er de jongste jaren steeds een resem Spaanse topfavorieten aan de start staan van de Ardennenklassiekers, is Alejandro Valverde tot op heden nog steeds de enige Spaanse winnaar in de geschiedenis van Luik-Bastenaken-Luik.

Ronderenners
Waar Luik-Bastenaken-Luik in de eerste decennia van de bestaansgeschiedenis van de wedstrijd tot ver in de jaren ’70 een hoofdzakelijk of zelfs uitsluitend Belgische wedstrijd was, is daar nu verandering in gekomen. Wie Luik op zijn palmares zet, mag zich met recht en rede een absoluut topper noemen. Toch moeten we hier ook een kanttekening bij plaatsen. De toptiens van de edities die de laatste twee decennia zijn verreden, staan bol van de aangebrande namen. Er staan in deze toptiens meer renners die geschorst zijn geworden door een dopingvergrijp dan renners die dat niet zijn. Hoewel het een interessante oefening is, zullen we ons niet wagen aan wielergeschiedherschrijving. Er zijn andere instanties die daarvoor in het leven zijn geroepen, door renners met terugwerkende kracht te straffen bijvoorbeeld. Maar bovenal bewijst dit de zwaarte van Luik-Bastenaken-Luik. Je moet ofwel een beresterk renner zijn die goed bergop kan ofwel een ronderenner om er te kunnen winnen.

Alejandro Valverde
De ronderenners lijken stilaan de overhand te nemen. Enkel Philippe Gilbert, Davide Rebellin en Paolo Bettini waren het voorbije decennium winnaar in Luik zonder ondertussen al eens een podium te hebben gereden in een grote ronde. Rebellin en Bettini hebben in het begin van hun carrière wel beide toptien gereden in een grote ronde, maar legden hun accenten daarna op het eendagswerk. De prestatie van Gilbert is daarom ook bijzonder. Al moeten we zeggen dat enkele van deze renners die hun podium in een grote ronde hebben behaald dat wel op een uiterst betwijfelbare manier hebben gedaan. Frank Vandenbroucke was de laatste winnaar in Luik die nooit toptien heeft gereden in ofwel Giro, Tour of Vuelta. Conclusie is dus dat je ofwel ronderenner ofwel Belg moet zijn om Luik-Bastenaken-Luik te winnen.

Augustus

LUIK BASTENAKEN LUIK DEEL 2
Belgisch hegemonie
En toen was het wachten op Eddy Merckx. Ondertussen won Fred De Bruyne Luik-Bastenaken-Luik maar liefst driemaal en won Rik Van Looy in 1961 Luik-Bastenaken-Luik en Parijs-Roubaix. Ga daar maar eens achter staan. Hij werd later dat jaar ook wereldkampioen. In 1966 was het de beurt aan Anquetil die in de nadagen van zijn carrière nog een mooie klassieker op zijn palmares zette. Na Anquetil was het weer tijd voor de Belgen. Maar liefst tien jaar achter elkaar stond er in Luik een Belg op het hoogste schavotje. Dat was grotendeels te danken aan de hegemonie van Eddy Merckx die in de helft van al deze edities triomfeerde, maar ook Walter Godefroot en niet te vergeten Roger De Vlaeminck pakten er de zegebloemen. Hoewel het Belgische wielrennen toen topdagen kende en een zege in Luik zeker veel betekende, lieten buitenlanders deze wedstrijd wel eens links liggen. Het was doorgaans een onderonsje tussen Belgen, Fransen en Nederlanders waarbij de Belgen steevast aan het langste eind trokken. Er was al een internationalisering van de wedstrijd merkbaar, maar nog niet zo doorgetrokken als ze nu is. Van Italianen was er nauwelijks sprake, van Spanjaarden nog gezwegen.

In 1977 won Bernard Hinault voor het eerst La Doyenne. Het was met Anquetil dan ook al elf jaar geleden dat er geen Belg won in Luik. Er stonden voorts wel acht Belgen in de toptien dat jaar. Joseph Bruyère won in 1978 voor de tweede keer in drie jaar Luik-Bastenaken-Luik. Hij nam niet de maat van de minsten, zo vervolledigden Thurau en Moser het podium. Vanaf toen kreeg Luik-Bastenaken-Luik een internationaler gezelschap. De absolute hegemonie van de Belgen was dan ook tanende. Het zou nu tot 1990 wachten zijn voor een Belgische zege. Van een omwenteling gesproken.

Internationalisering
De jaren ’80 was voor de Belgen uiterst mager. Met drie keer een tweede plek en drie keer een derde plek kon het contrast met de jaren ’70 niet groter zijn. Moreno Argentin deed een aanval naar het record van Merckx die vijf keer Luik op zijn palmares zette. Argentin slaagde er net niet in. Hij won in ’85, ’86, ’87 en ’91. Hiermee staat hij op de tweede plaats op de eeuwige ranglijst. Voorts won in 1980 Bernard Hinault voor de tweede keer La Doyenne. Het was de legendarische sneeuweditie. Hinault reed stelselmatig van iedereen weg. Er kwamen die dag 21 helden aan. De tweede was Hennie Kuiper op meer dan negen minuten van Hinault. Het woord apocalyptisch mag voor één keer geheel terecht in de mond genomen worden. Na Ab Geldermans in 1960 wonnen er ook nog eens Nederlanders de Ardennenklassieker. Rooks deed dat in 1983 en Van Der Poel in 1988. Er stond nog maar drie keer een Nederlander op het hoogste schavotje. Opvallend weinig is dat.

Juli

LUIK BASTENAKEN LUIK    DEEL 1
Luik-Bastenaken-Luik kent een rijke geschiedenis. De groten der wielergeschiedenis hebben deze klassieker minstens eenmaal op hun palmares staan. Eddy Merckx spant de kroon met vijf overwinningen in La Doyenne. Het is dan ook een wedstrijd met de nodige hellingen en dus zeker geen voer voor derderangsrenners. Léon Houa mag zich de eerste winnaar van Luik-Bastenaken-Luik noemen en ook de eerste renner die driemaal achter elkaar de klassieker won. De eerste twee edities waren voor de amateurs. Toen in 1894 Luik-Bastenaken-Luik een wedstrijd werd voor de profs, werd Houa ook maar prof en won er prompt voor de derde keer op rij. Helaas voor Houa kende de wedstrijd dan een onderbreking en werd de draad pas in 1908 weer opgepikt.

De beginjaren

Luik-Bastenaken-Luik werd tot een stukje na de Tweede Wereldoorlog praktisch uitsluitend door Belgen gedomineerd. Buitenlanders deden er dan ook nauwelijks mee. Begin jaren ’50 kwam daar pas echt verandering in. Daarvoor zwaaien enkel de Belgen de plak op de erelijst. Zo triomfeerde Georges Ronsse op 19-jarige leeftijd als onafhankelijke in 1925 in Luik. Dat bleek een voorteken te zijn voor een grote carrière. Ronsse won later ook de Ronde van Vlaanderen en werd in 1928 en 1929 wereldkampioen bij de profs. Het was ook in deze periode dat Alfons Schepers driemaal Luik-Bastenaken-Luik won. In de vooroorlogse periode stelde La Doyenne nog niet zo veel voor en was het een eerder nationale wedstrijd.

In de jaren ’50 won voor het eerst een internationale ster de Ardennenklassieker. De tijd dat mindere goden in Luik triomferen was nu voor goed voorbij. Ferdi Kübler schreef zowel in ’51 als ’52 Luik-Bastenaken-Luik op zijn palmares. Het waren de wonderjaren van dolle Ferdi. Hij won in deze twee jaren ook de Waalse Pijl. Het jaar nadien was het de beurt aan Stan Ockers die dat jaar ook de Waalse Pijl op zijn naam schreef, alsook het wereldkampioenschap. Het is maar om te zeggen dat de toppers toentertijd plots wel interesse betoonden in de Waalse klimklassieker. Het was in deze jaren ook dat de Waalse Pijl en Luik-Bastenaken-Luik in hetzelfde weekend werden gehouden en het Ardens Wielerweekend vormden. De dubbels waarin renners als Kübler en Ockers slaagden, verdienen in dit licht nog meer respect dan hen nu al ten dele valt.

Juni

Jaap Eden

Nederland. Geboren in Groningen als Jacobus Johannes Eden op 19-1-1873. Hij was schaatser en wielrenner. Overleden op 02-02-1925 in Haarlem. Zoon van Johannes Eden en Maria Baale. Zijn moeder overleed bij zijn geboorte en zijn vader had geen tijd om voor hem te zorgen. Opa en oma voedden de kleine Jaap op. Zij waren in het bezit van hotel Velserend in Santpoort. Hij bracht zijn jeugd vooral door met sporten in en rond de Kennemerduinen. Rond 1890 speelde hij zelfs even voetbal hij HFC Haarlem. Daarvoor werd hij al ontdekt door de schaatser Klaas Pander. Pander ging met hem trainen. In 1890 won hij zijn eerste schaatswedstrijd over 160 meter. In 1892 debuteerde hij op internationaal niveau. In 1893 pakte hij zijn eerste wereldtitel bij het schaatsen. Het jaar erna brak hij 2 wereldrecords waarvan dat op de 5000 meter liefst 17 jaar zou blijven bestaan. De progressie was enorm. In februari 1893 werd Jaap lid van de ANWB. Hij kreeg lidmaatschapsnummer 498 en was lid van de Kettinggangers. Opmerkelijk zijn voorletters waren J.J.H.W.V. Hij woonde toen aan de Schachelstraat 315 in Haarlem. Nog steeds op de schaats verpulverde Jaap in 1895 zijn eigen wereldrecord op de 10 km door 17.56,0 t.o.v. zijn 19.12,4. In 1895 te Hamar en in 1896 in St.Petersburg werd hij nogmaals wereldkampioen op de schaats. Op 22-03 lezen we in de Kampioen het verhuisbericht van Eden naar de Turfstraat 21 in Arnhem.

Hierna brak zijn wielerperiode pas écht aan. Bij het wielrennen kon je veel meer geld verdienen. Opnieuw was Eden een klasse apart. In 1894 werd hij wereldkampioen op de 10 km en een jaar later op de sprint. In 1896 reed hij een wereldrecord op de 1000 meter staande start. Hij werd geliefd door het publiek door zijn prestaties als door zijn manier van optreden.

In het kort zijn voornaamste overwinningen bij het wielrennen buiten de WK’s :
1893 K.v.Nederland weg; 1894 K.v.Nederland weg; 1896 GP van Amsterdam; 1896 wereldrecord 1000 meter staande start; 1897 GP van Leipzig; 1897 GP van Leipzig; 1898 GP van Aken (1899 K.v.Ned. sprint 2).

Het succes steeg hem naar zijn hoofd en Jaap begaf zich in het mondaine leven van Parijs. Eden verdiende jaarlijks 40.000 gulden, zodat hij, hautain, zelfs een contract in Amerika voor 15.000 gulden liet lopen.
In 1915 stopte Eden met fietsen: de successen bleven uit. Hij zocht een baantje, maar was niet doortastend.

Zijn trofeeën en medailles werden verkwanseld en probeerde daarna nog met wat vrienden een rijwielzaak in Rotterdam op te zetten: weer met weinig succes.

Op 51-jarige leeftijd overleed hij in Haarlem als een berooid en eenzaam man. Nabestaanden verkochten het restant aan medailles en bekers om de begrafenis te bekostigen. Enige jaren later kreeg hij een groot grafmonument op de Algemene Begraafplaats aan de Kleverlaan in Haarlem en Jaap Eden werd herbegraven. Dit alles op initiatief van de sportjournalist Leo Lauer. Hij rust er met zijn echtgenote en wordt afgebeeld als een sportheld. (1)

Mei

Jalabert deel 2

Met winst in de proloog greep Olano ook meteen de leiderstrui. Olano zou in de daaropvolgende dagen ook de grote uitdager blijken te zijn voor Jalabert, die kopman werd bij ONCE na het falen van Zülle. Olano was de sterkste in de tijdritten, maar Jalabert sprokkelde bijna dagelijks extra bonificaties door zijn goede resultaten in de massasprints. Na de 3e etappe met aankomst boven op de Alto del Naranco, gewonnen door Jalabert met 10 seconden voorsprong op Olano, nam Jalabert de leiderstrui over.

Vervolgens wist hij ook nog de 5e etappe in een massasprint te winnen, waardoor hij zijn voorsprong dankzij bonificaties nog kon vergroten. In de 8e etappe van Salamanca naar Avila trok Jalabert dan in de aanval op de beklimming van de Serranillos met nog 60km te rijden. De groep der favorieten zou hem niet meer terugzien voor de aankomst en Jalabert nam zo nog 4 minuten 40 seconden extra voorsprong op de andere klassementsrijders. Zijn dichtste achtervolger Olano, die na de tijdrit tot op enkele seconden was genaderd volgde al op meer dan 5 minuten in het klassement. In de daaropvolgende ritten verzwakte Jalabert niet, in tegendeel, hij liep nog verder uit. Nochtans reed hij zeker niet rond als een kannibaal, die alles wou winnen.
In de 12e rit liet hij zijn generositeit op een mooi manier zien, door de zege aan Bert Dietz te laten. Die gemiste ritzege maakte hij enkele dagen al terug goed door de rit in Barcelona te winnen. Op een lokaal circuit moesten er 11 rondes afgelegd worden met telkens een beklimming van de berg Montjuic. In de laatste ronde sprong Jalabert weg uit een elitekopgroep om solo naar winst te rijden. Ook in de andere bergritten sprokkelde hij telkens enkele seconden op Olano door in de laatste kilometer explosief weg te rijden.

Op die manier won hij ook nog de 17e etappe met aankomst op Luz-Ardiden, zijn 5e ritzege al deze Vuelta. Hoewel Olano een sterke tijdrit reed op de voorlaatste dag kon hij Jalabert niet meer bedreigen. Die schreef zo zijn eerste (en enige zo zou later blijken) grote ronde op zijn naam. Dankzij die zege sloot hij het jaar 1995 af als nummer 1 op de UCI ranking. Met zijn overwinningen in de 2 belangrijkste nevenklassementen erbij is hij een van de 3 grote renners (Eddy Merckx: Giro d’Italia 1968, Tour de France 1969 en Tony Rominger: Vuelta a España 1993) die dit ooit voor mekaar kregen in een van de grote rondes.

April

Laurent Jalabert

In 1995 ontdekte Laurent Jalabert zijn talent als ronderijder. Met een ijzersterke ONCE-ploeg aan zijn zijde domineerde hij de Vuelta van 1995 van begin tot einde. Hij won daarnaast ook 5 ritten, het puntenklassement en het bergklassement.
Laurent Jalabert beleefde in 1995 zijn eerste echte topjaar als allrounder. Waar hij voorheen vooral als sprinter bekendstond liet hij zich dat jaar ook als tijdrijder en ronderenner opmerken. Hij begon het seizoen goed met winst in Paris-Nice en Milaan-San Remo.
Ook in de Ardennenklassiekers deed hij het goed. Hij won de Waalse pijl en werd 4e in Luik-Bastenaken-Luik. In de Tour wist hij voor de 2e keer de groene trui te winnen en na een gevecht voor het podium moest hij zich er uiteindelijk tevreden stellen met de 4e plaats in het algemene klassement. Aan het einde van dit schitterende seizoen volgde een van zijn sterkste prestaties.
Jalabert won in de Vuelta a España 5 ritten, het eindklassement, de puntentrui én de bergtrui. Zijn ploeg ONCE won ook nog eens het ploegenklassement, nadat het de ganse ronde had gedomineerd. Dat was ook zichtbaar in het eindklassement: 3 renners van ONCE stonden in de top-4. Johan Bruyneel mocht als 3e mee op het podium en Melchor Mauri bezette de 4e plaats.
De Vuelta in 1995 was de eerste die in september werd gereden en het was dan ook afwachten hoe de renners die de Tour de France gereden hadden voor de dag zouden komen.
Zoals wel meer zou blijken in de jaren daarop ontgoochelden veel van de toppers uit de Tour. De 2e van de Tour, Alex Zülle, gestart als kopman bij ONCE, kwam al vroeg in de wedstrijd op minuten te staan na een valpartij en een maagvirus. In de bergritten haalde Zülle ook niet meer het vormpeil van de Tour, al wist hij dankzij zijn sterke ploeg nog wel de 16e etappe naar Plá de Beret te winnen. De derde uit de Tour, Bjarne Riis, kwam op weg naar winst in de eerste lange tijdrit ten val.
Hij verloor hiermee de tijdrit en zou enkele dagen later met een gebroken nekwervel moeten opgeven. Abraham Olano was dan weer een nieuwe ronderenner die zijn neus aan het venster kwam steken. Voordien had hij steeds als knecht voor Tony Rominger gewerkt in de grote wielerrondes. Rominger had echter de Giro en de Tour gereden en paste deze keer voor de Vuelta zodat Olano als kopman zou worden uitgespeeld bij Mapei.

Maart

Proloog

Het is niet vanzelfsprekend dat als je de proloog won ook de Tour zou winnen. Vier Tourwinnaars hebben hun campagne telkens goed ingezet. Eddy Merckx won drie keer individueel de proloog en wel in 1970, 1972 en 1974. Toen de proloog in 1971 werd verreden in de vorm van een ploegentijdrit was Merckx met zijn ploeg Molteni ook de beste. Het leverde hem toen eveneens de eerste gele trui op. Na Merckx won Bernard Hinault drie keer de proloog in het jaar dat hij ook de eindzeges paktie in 1981,1982,1985. Miguel Indurain en Lance Armstrong wonnen beide twee prologen. De Spanjaard deed dat in 1992 en 1993. Lance Armstrong was in 1999 en 2002 de snelste.

Eenmalig

Ter gelegenheid van het 100 jarig bestaan van België werd een eenmalige wedstrijd verreden en wel Turijn –Brussel. Op 18, 20 en 22 juli 1930 werd in drie etappes en over een totale  afstand van  1065 kilometer van Turijn naar Brussel gereden. De etappes werden gewonnen door Allegro Grandi die won de rit van Turijn naar Zurich. Michele Mara won de rit Zurich-Luxemburg en Emile Joly  Luxemburg-Brussel. Allegro Grandi was ook de eindwinnaar. De wedstrijd eindigde in het Koninklijk Park van Laken en omdat het om het eeuwfeest van de Belgische staat ging stond de koers bekend als de Grand Prix du Centenaire.

Februari

Belgen en de gele trui

De eerste Belg in de gele trui was niemand minder dan Firmin Lambot in 1919. In dat jaar werd de gele trui als symbool voor de leider in het algemeen klassement ingevoerd door de Tourdirectie .Eugene Christophe mocht de eerste gele trui aantrekken en leek ook op weg als eerste het geel naar Parijs te brengen. In de voorlaatste etappe brak hij bij Valenciennes zijn voorvork en verloor tweeënhalf uur op Lambot, die zodoende als eerste Tourwinnaar in het geel gehuldigd werd. Eerder hadden al diverse Belgen eerste gestaan in het algemeen klassement ,onder wie Cyrille van Hauwaert, Jules Masselis, Odile DeFraye, Marcel Buysse, Phillippe Thys en Jean Rossius,maar die prestaties werden voor 1919 niet beloond met een gele trui.

Pantani

In 1998 sprong Marco Pantani weg op de Galibier om Jan Ullrich definitief op achterstand te zetten. Dat lukte ,hij won de etappe en pakte het geel met minuten voorsprong. Op de weg van de Galibier richting Grenoble is de afgelopen 30 jaar vaak een aankomst bergop geweest in Alpe’d Huez. In 1989 leidde de etappe weer dezelfde richting op maar in plaats van rechtsaf bergop te klimmen sloeg het peloton voor de verandering linksaf, richting het skioord Les Deux-Alpes. In 2002 was daar andermaal een aankomst en toen won Santiago Botero. In Les Deux-Alpes staat een monument ter nagedachtenis aan de prestatie van Pantani.

Januari

Ronde van Vlaanderen
De Ronde van Vlaanderen is in 1913 ontstaan naar een idee van Karel Van Wijnendaele, mede oprichter van de sportkrant Sportwereld. Het was destijds gebruikelijk dat uitgevers en journalisten van kranten- en tijdschriften wielerwedstrijden organiseerden om hun uitgaven te promoten. De Ronde van Vlaanderen was aanvankelijk, tot kort na de oorlog, vooral een Belgische wedstrijd. In de beginjaren werd de Ronde nog vaak op dezelfde dag gereden als Milaan-San Remo. De betere Italiaanse en Franse renners kozen doorgaans voor die laatste koers, waardoor de Ronde voor de oorlog slechts één niet-Belgische winnaar kende, de Zwitser Heiri Suter. Na de Tweede Wereldoorlog begon de Ronde aan haar opmars als belangrijke internationale wedstrijd. Onder andere omdat de organisatoren van een aantal koersen de Challenge Desgrange-Colombo in het leven riepen, een soort voorloper van de wereldranglijst, waarvan de Ronde deel uitmaakte. Samen met onder meer Parijs-Roubaix behoort de Ronde van Vlaanderen tot de topwedstrijden in het wielrennen. De Ronde Van Vlaanderen maakte sinds 2005 deel uit van de Pro Tour. Vanaf 2011 behoort hij tot de UCI World Tour. Recordhouders zijn de Belgen Achiel Buysse, Eric Leman, Johan Museeuw, Tom Boonen en de Italiaan Fiorenzo Magni met elk drie overwinningen. Magni is zelfs de enige die de Ronde drie keer op rij wist te winnen. De succesvolste Nederlander is Jan Raas met twee overwinningen en twee derde plaatsen. Louison Bobet (1955), Rik Van Looy (1962), Eddy Merckx (1975) en Tom Boonen (2006) zijn de enige renners die de Ronde wonnen als wereldkampioen.

Parcours Ronde van Vlaanderen
In de eerste helft van de 20ste eeuw lagen de Vlaamse wegen er vaak zwaar bij, zodat een selectief parcours relatief eenvoudig uit te tekenen was. Grote delen van de wedstrijd verliepen zo vanzelf op kasseiwegen. Halverwege de eeuw werden na de grote verbindingswegen ook meer en meer lokale wegen geasfalteerd, zodat de wedstrijd steeds meer moest uitwijken naar kleinere wegen en hellingen. Omdat het steeds moeilijker was de nodige kasseistroken aan te doen, werden uiteindelijk steeds meer hellingen opgenomen in parcours. Het zwaartepunt van de wedstrijd verplaatste zich zo steeds meer naar de Vlaamse Ardennen. Sinds 1998 start de Ronde in Brugge. Na een relatief vlak begin gaat het parcours via Oostende en Torhout richting Kortrijk, waarna het zich door het Vlaamse heuvelland slingert tot aan de finish, van 1973 tot 2011 in Meerbeke, sinds 2012 in Oudenaarde. Het precieze parcours verandert elk jaar een klein beetje. Steeds moeten de renners zo’n 20 kilometer aan kasseistroken en tussen de vijftien en twintig heuvels overbruggen. Geen enkele is erg hoog, maar ze zijn vaak wel erg steil en hebben veelal kasseien als ondergrond. Doordat alle moeilijke passages in de tweede helft van de koers liggen is er in de finale geen enkel rustig moment. Van 1975 tot en met 2011 waren meestal de Muur van Geraardsbergen en de Bosberg de laatste twee hellingen die worden beklommen voor de finish. Vanaf 2012 worden de Oude Kwaremont en de Paterberg drie maal beklommen in de finale, met als laatste helling de Paterberg. De Muur van Geraardsbergen is sinds het parcours van 2012 geschrapt. De aankomst in Oudenaarde vindt plaats in de Minderbroederstraat, vlakbij het centrum van Oudenaarde.[1]De edities van 2012 en 2013 kenden een afwachtend koersverloop tot de laatste passages van de Oude Kwaremont en Paterberg. In 2014 is het parcours wederom aangepast, waarbij de eerste beklimming van de Oude Kwaremont ook de eerste klim van de dag is. Ook het lussenpatroon is losgelaten, na de Oude Kwaremont wordt een grote lus afgelegd met hellingen en kasseistroken, na de tweede passage van de Oude Kwaremont en de eerste maal Paterberg komen dan in de slotlus zware kasseihellingen in volle finale (Koppenberg, Steenbeekdries, Taaienberg, Kruisberg (Oudestraat), Oude Kwaremont en Paterberg.

Hellingen in 2014
Oude Kwaremont (1e maal)
Kortekeer
Eikenberg
Wolvenberg
Molenberg
Leberg
Valkenberg
Kaperij
Kanarieberg
Oude Kwaremont (2e maal)
Paterberg (1e maal)
Koppenberg
Steenbeekdries
Kruisberg (Oudestraat)
Oude Kwaremont (3e maal)
Paterberg (2e maal)

Geef een reactie