“Hoe word ik een officiële malloot”

“Vroeger” fietste ik veel. Zo’n 20 jaar geleden deed ik mee aan toertochten met Toer ’80 uit Bellingwolde om me vervolgens in het triatlon geweld met Triatlon Team Stadskanaal (TTS) te storten.Als jonge twintiger was ik niet stuk te krijgen, maar echt snel was ik niet. De mooiste rit tot nu toe was Luik-Bastenaken-Luik. Nog altijd dat gelukzalige gevoel als ik er aan terugdenk, met de La Redoute als hoogtepunt. Dan komen studie, carrière en familie waardoor er te weinig tijd overblijft voor een intensieve vorm van sporten en kies ik lange tijd voor het hardlopen als belangrijkste sport. In 2003 besluit ik toch weer meer te gaan fietsen en koop een leuke ATB fiets.

Het is zomer 2004 als het eerste verlangen zich openbaart. We staan met de familie op camping La Roubine in Vallont pont D’arc. Die fiets is natuurlijk mee, niet dat ik al veel heb gefietst, maar toch…. In ons “straatje” staan meer fietsers, dus worden ook de verhalen uitgewisseld. Vol enthousiasme vertel ik over het bedwingen van de Sampzon, een bergje in de buurt van Vallont. En ook over de Gorges van de Ardèche, al bijna net zo mooi als de Redoute. Dan vraagt een buurman of ik ook meega naar de Ventoux. Een vreemd soort kriebel maakt zich meester over me “Mont Ventoux !!??, is die dan zo dichtbij” vraag ik. De kale berg blijk slechts anderhalf uur rijden van de camping te liggen. Maar het is voor mij nog te vroeg. Dit jaar ben ik er nog niet aan toe, dus laat ik de uitnodiging aan me voorbij gaan.

Het jaar erop is er geen plek op camping La Roubine. Dus besluiten Petra (mijn vriendin) en ik een plekje te zoeken in de Provence, jawel in de buurt van de Ventoux. Nu weet ik het zeker, ik zal die berg beklimmen! Bijna aangekomen zien we de Geant de Provence in de verte opdoemen. Dichterbij gekomen wordt hij groter en groter. Weer die kriebel in mijn buik. “Die is van mij”, zeg ik tegen Petra. Vanaf de camping is hij te zien en dus loop ik elke dag even een blokje om, om “mijn” berg te zien. In het zwembad ontmoeten we Anthony en Nancy. Ook Anthony wil graag de Ventoux beklimmen en dus besluiten we het met z’n tweetjes te wagen. Op 3 augustus is het zover, Anthony en ik reizen af naar Bedion om daar bij het fonteintje te starten. Een bijzondere dag, want het is fris en de top ligt volledig in de wolken. Letterlijk en figuurlijk rijd ik met mijn hoofd in de wolken in drie uur tijd naar de top. Vanaf dat moment zijn Anthony en ik Ventoux-makkers.

Een weer wordt het verlangen sterker. Op de camping mag ik het boek “De kale berg” van iemand lenen. Gebiologeerd lees ik de verhalen over meervoudige beklimmingen en besluit ooit ook Cinglé des Mont Ventoux te willen worden. Omdat de Ardèche voor ons het meest aantrekkelijke vakantieoord is wordt ook in 2006 gekozen voor het mooie gebied aan de voet van het Grand Massief op nog geen twee uur van de Mont Ventoux. Het besluit is genomen: ik ga voor drie beklimmingen op een dag en meld me aan bij de Club des Cinglé des Mont Ventoux. Monsieur Pic stuurt met het fietsplaatje en de stempelkaart toe.
Maar dan wel weer gewoon op de racefiets. In april wordt een mooie Stevens Izoard Pro aangeschaft en beginnen de voorbereidingen voor mijn “monstertocht”. Op 23 juli is het zover, we gaan drie weken op vakantie naar Frankrijk. Door tijdgebrek (ach ja, die prioriteiten) slechts 1300 fietskilometers – inclusief de Elfstedentocht van 240 km – maar geestelijk volledig klaar voor mijn berg. De echte training volgt in de komende weken in de prachtige omgeving van de Ardèche.

De eerste week
De tent is opgezet en vandaag begint de “echte” voorbereiding. Camping Le Pommier past hier goed bij, want de hoofdader van de camping blijkt een stijgingspercentage te kennen van zo’n 15%. En omdat onze tent helemaal onderaan de camping staat begint elke trainingsrit met deze pittige beklimming van anderhalve kilometer. Ook Anthony en Nancy staan een weekje op deze camping, maar dan wel helemaal bovenaan!

Eerst maar eens een kleine verkenning. Een rondje van 15 kilometer met een licht klimmetje naar Villeneuve de Berg. Het valt nog niet mee, bovenaan de camping (na 1,5 kilometer) moet ik eerst even de longen terugduwen. Het hart bonkt met zo’n 185 slagen per minuut in mijn keel en het schuursponsje van de afwas van gisteren lijkt wel door mijn luchtpijp te zijn gehaald. ’s Avonds gaan Anthony en ik nog een keertje. Nu naar Mirabel en volgens de kaart via de andere kant van de berg weer terug. Als we uiteindelijk bij een vriendelijke oude Fransoos op het erf terecht komen besluiten we toch maar rechtsomkeert te maken. Met dertig kilometer in de benen krijg ik mijn eerste Franse pilsje.

Petra’s zoon Peter (13 jaar) heeft zijn fiets ook mee. Samen met hem het eerste rondje Villeneuve de Berg fietsen leek me een goed idee. Die knaap moet toch ook de liefde voor het fietsen in deze prachtige omgeving bijgebracht worden? Dus ook klimmen en dalen, en dat laatste zo snel mogelijk. Klimmen gaat prima, Peter hoeft zo’n 40 kilo minder mee te sjouwen, maar als het dan naar beneden gaat zijn de kilo’s zwaar in mijn voordeel. Donderdag om half acht met Anthony afgesproken. Met een brede glimlach staat hij al op mij te wachten. Ik heb dan al die eerste moordende kilometer al achter de rug. Awel makker, heb je er zin in? Lijkt hij me te vragen. “Morgeuh” is alles wat ik er even uit kan krijgen.

Via St Jean le Centenier en St-Gineis-en-Coiron naar Mirabel en via de haarspeldbochten naar St. Jean terug. Gestaag klimmen wij door de bergen/heuvels van de Ardèche omhoog. Genietend van het mooie landschap en de mooie huizen. Op het erf van een van deze huizen kijkt een zwarte hond argwanend naar die fietsers omhoog. “’t Is net een wolf” zegt Anthony. We blijven even staan om een foto te maken van het fantastische uitzicht. Dan komen we op het idee ook een kort filmpje te maken (de digitale techniek van vandaag) waarvoor ik natuurlijk een stukje terug moet en dan soepel klimmend door de haarspeld bocht zal verschijnen. Ondertussen is onze “wolf” aan de straat komen staan en wacht me op. “Benieuwd of hij er zin in heeft vandaag” zeg ik, maar hij kijkt me olijk aan en volgt het fiets gedoe als ware het een prive voorstelling. We vervolgen onze tocht naar de top bij Mirabel waarna een afdaling volgt via kleine weggetjes en scherpe bochten. Da’s pas genieten.

Peter is bijna 14 jaar, daar moet je toch rekening mee houden. Dus als ik samen met hem ga fietsen doen we het rustig aan. Tijd voor zijn eerste echte tocht van zo’n 45 kilometer. Het begint al goed, als dat ventje (was het niet zo’n 40 kilo lichter ) op de camping van zijn fiets dondert. Zijn ketting schiet van de plaat. Na een paar wijze woorden van mijn kant vervolgen wij onze weg en dient zich het onheil al aan. Het joch rijdt voor me aan de heuvel op.  We hebben gekozen voor een route naar Vallont pont D’arc, omdat dit bergafwaarts loopt. Peter is voorzichtig en regelmatig moet ik even op hem wachten. Tot het moment dat we aan de voet van de Sampzon staan. Dit was mijn eerste beklimming in de Ardèche en zou ook Peter zijn eerste worden. Ik weet dat het drie zware kilometers klimmen is en waarschuw Peter vooral zijn eigen tempo te rijden. Nou ik heb het geweten. De eerste de beste beklimming word ik door een knaap van 13 gelost, terwijl ik juist rekening met hem wilde houden.

Een weekje later
De tweede week begint met een rit van 40 kilometer via Sceautres naar Berzème. Het is een lange klim en in gedachten vergelijk ik hem met de beklimming vanaf Sault naar Mont Ventoux. Zou het zo gaan. of… ?  Koeien steken over en kijken me aan alsof ze denken “Malloot op fiets, mooh”. Zie de eerste tekenen zijn er al! Als ik dan op de top nog bijna 20 kilometer terug moet naar de camping denk ik, dat wordt een latertje. Maar nee hoor, vanaf dat moment alleen nog maar bergaf, vijftig zestig in het uur en knallen maar, geweldig!!

Ondertussen groeit het verlangen. Maar eerst Alp d’Huez. Veertien kilometer, eenentwintig bochten en de bekendste berg onder de Nederlanders. Nederlanders die in de kroeg plannen maken om met een groep al bierbuikende mannen deze berg te beklimmen.

Bernard uit Kollum is er zo een. Al jaren na het voetbal met een paar maten grootspraak in de kantine en nu staat hij ineens naast zo’n malloot uut Grunn, die de Alp gaat beklimmen en hij kan zomaar mee. “Waarom sta ik niet gewoon naast een 150 kilo zware Duitser en dan samen bierdrinken”, zegt Bernard, maar ook zijn verlangen groeit. En Bernard besluit mee te gaan. Intussen is ook Bert uit Kollum – het hele dorp is uitgelopen – gearriveerd en in het kader van hoe meer zielen hoe meer vreugd (en het bewijs in de kantine) wordt ook Bert uitgenodigd. Samen met Peter, Bernard en Bert wordt er eerst nog even in de omgeving gefietst.  Bernard zijn vrouw (Coba) en Petra willen ook wel mee als supporter. En als er een volgauto meegaat, dan kan Peter natuurlijk ook mee, juist dat kereltje van 13!

Precies een jaar na de mijn eerste beklimming van de Mont Ventoux is de Alp d’Huez aan de beurt. Het is fris als we ’s ochtends om half acht vertrekken. En hoe dichter wij bij de Alpen komen, des te donkerder worden de wolken. En natuurlijk regent het als we onderaan de voet van de beklimming staan. Maar eerst nog Bert zijn zwager Piet oppikken die hier op de camping staat. Hij heeft in de afgelopen twee weken de Alp al twee keer beklommen.

Als we van start willen gaan blijkt Bernard een lekke band te hebben. Met man en macht wordt het euvel beslecht en kan eindelijk de tocht beginnen. Met nog wat gepruts aan mijn fiets lig ik bij de start al ruim honderd meter achter op de rest. Bernard blijkt nog bereikbaar, maar Bert, Piet en Peter lopen alleen nog maar verder uit. Onderweg worden we enthousiast aangemoedigd door onze supporters. De eerste kilometers zijn het zwaarst, maar na een kilometer of zes begint deze oude diesel op gang te komen en begint het aftellen. Af en toe even uit het zadel en hop vooruit met die geit. Als ik Alp d’Huez bereik is Peter al binnen.
Hij is acht minuten op mij uitgelopen. Ik vraag waar de finish is en direct wordt geroepen “HIER”. Alleen is dat niet de finish van de Tour dus fiets ik nog even door. De officiële finish red ik in 1.20.28 en die van de Tour zo rond 1.28. In de afdeling rijden we door de wolken, je hoort en ziet helemaal niets. Het is prachtig.

De week van de waarheid
Alp d’Huez en Mont Ventoux zijn uitdagingen en daarom zo mooi. Ook voor onze zonen valt het een en ander aan uitdagingen te beleven en daarom gaan we canyoningen in Burzet. Drie uur lang klimmen, klauteren, abseilen en jumpen in de woeste natuur van de Ardèche tegen het Centraal  Massief aan. We hebben veel lol en het is een goede ontspanning voor de rest van de week. Geïnspireerd door het canyoning-avontuur wil ik ook fietsen in het Centraal Massief. Maar Petra is ook jarig en ik moet nog het een en ander regelen. Dus wordt een lange fietstocht ingekort naar zo’n 40 kilometer. Hierbij de beklimming van de Col de la Cx de Millet. Op en af in een prachtige omgeving. Alles op de middenplaat, mooie test op kracht.

En dan komt de (on)rust. Donderdag 10 augustus moet het gebeuren. Op woensdagavond al vertrokken naar Bedoin. Bij Portier de L’Olivier haal ik ’s avonds al mijn eerste stempel. Ik ga in de auto slapen om de volgende dag vroeg te kunnen starten. Na een ietwat onrustige nacht (zenuwen??) word ik op de parkeerplaats in Bedoin om half zes wakker. Het is nog donker, maar achter de Ventoux is de zon al bezig met de eerste beklimming. Die van mij moet nog komen, maar eerst even goed eten en drinken. Het is koud (16 graden) dus ik doe het rustig aan en geef de zon nog wat tijd voor zijn beklimming.

Om half zeven meld ik met bij het fonteintje bij de rotonde in Bedoin en spoel als een priester wat water in mijn gezicht. Het mallootje in de dop wordt gedoopt en de vuurdoop is aanstaande. Nog een keer diep ademhalen en de schoenen op de pedalen geklikt. Mierentietjes (of kippenvel zo u wilt) op de armen van de kou of de opwinding en ik ben weg!!!

De eerste kilometers gaan zwaar. Het zal toch niet waar zijn? Op deze dag en dan wil het niet. Mijn dieseltje komt maar niet op gang. Op drie kilometer check ik nog even of er niets aanslijt, maar het zijn gewoon zware benen die me het leven zuur maken. Als ik ervan overtuigd ben, dat er niets met mijn fiets aan de hand is gaat de knop om en langzamerhand worden de bougies warm, en komt het dieseltje op gang.

Na een uurtje fietsen ben ik ongeveer bij de open plek in het bos. Onder het rijden doe ik een ijdele poging een videootje met mijn digitale camera te maken omdat ik niet wil afstappen. Vorig jaar was ik hier nog lang niet na een uur en toen had ik mijn eerste pauze al ingelast. Nu ga ik in een keer door tot de top!!! Inmiddels gaat het lekker, niet hard, wel lekker. Bij het monument gegroet naar Tommy Simpson en even gedacht aan mijn vorig jaar overleden vriend Jans, de eerste beklimming heb ik aan hem opgedragen. Boven op de top klok ik een tijd van 2 uur en 21 minuten, ruim 40 minuten sneller dan vorig jaar!! Op de top alleen met een Engelsman en een Fransman, verder nog geen ziel te bekennen. De laatste vertelt dat de afdaling naar Malaucene mooi is en dat er een stuk van 4 kilometer dalen met ruim 10% in zit. “Dat is dus ook 4 kilometer klimmen met ruim 10%”, denk ik nog als ik aan de afdaling begin. En inderdaad, de afdaling is prachtig. Met ruim 76 kilometer per uur dender ik voor de eerste keer weer naar beneden. Is die 95 kilo toch nog ergens goed voor.

Ongeveer kwart voor tien ben ik in Malaucene en heb gestempeld bij cycles Mag 2 Roues. Even een banaantje wegwerken, maar rustig ben ik nog niet, ik moet verder! Doel is om tegen enen weer op de top te zijn. De eerste tien kilometers van de tweede beklimming gaan redelijk, maar dan komen die vier lange kilometers van ruim 10 procent. Het lukt me niet meer om in een keer door te rijden, ik moet er af en toe even af. Eigenlijk meer omdat de benen vollopen, dan dat de conditie me parten speelt. Bij elke trap voelen mijn bovenbeenspieren pijnlijk aan en dan ben ik pas op de helft. Maar het herstel gaat snel, een tiental seconden stil staan geeft weer moed en “hop” daar gaat ie weer.

Als ik om precies een uur weer op de top sta is het er niet warmer op geworden. De mistral steekt langzaam op. Het heeft weinig zin om boven te blijven, dus de afdaling naar Sault wordt snel ingezet. Dan al merk ik de kracht van de mistral, maar ach als je naar beneden gaat…

Uiteraard maak ik me een beetje zorgen over mijn benen, gaan ze het houden in de laatste beklimming. Maar na Chateau Reinard gaat de snelheid er uit. De afdaling (en dus straks de beklimming) is niet zo steil. Slechts zo’n 35 kilometer per uur en de benen wat laten rusten lijkt me een goede zaak. Echter na zo’n 15 kilometer gaat het harder, veertig, vijfenveertig, vijftig kilometer per uur. De helling wordt steiler en daarmee het onheil groter. Maar goed dat ik op tijd ben, het is pas twee uur als ik in Sault mijn kaart bij Le Siecle laat stempelen. Ondertussen kan ik de SMS’jes van Petra en Anthony lezen, ben ik toch niet helemaal alleen. Het bericht van Anthony luidt: “Ga door fred, stampen, stoempen, ram die pedalen er af!” en  “Go go, fred”. Het is, dat hij in Nederland zit, anders had hij het zo op de weg geschilderd.

Al met al begin ik te rekenen. Twee uur en twintig minuten over de eerste beklimming, zo’n drie uur over de tweede, dan geef ik mezelf vier uur voor de laatste en ben dan voor zes uur boven. Dus schraap ik al mijn moed bij elkaar, vul de bidons nog eens goed en stap weer op de fiets.

De derde beklimming begint niet goed, bijna om de kilometer moet ik even van de fiets. Een halve tot hele minuut even stilstaan en dan weer verder. Gelopen wordt er niet, het is of fietsen of stilstaan, lopen is me mijn eer te na. Maar ineens gaat het wat beter en fiets ik zelfs met snelheden van boven de twintig kilometer per uur. Ik besef me, dat ik op het middelste stuk ben aangekomen, waar het stijgingspercentage terugloopt naar vier procent. Dit geeft de burger moed. Wat ook moed geeft is de gedachte aan een heerlijke kop warme chocolademelk met een crêpe bij Chateau Reinard. Ondanks het regelmatig stilstaan is de beklimming tot aan het chateau nog redelijk vlot gegaan. Om kwart over vier strijk ik op het terras neer en denk aan het laatste stukje, dat moet toch gemakkelijk voor zes uur lukken?

Het is twintig voor vijf als ik besluit de laatste 6 kilometer van de beklimming te volbrengen. Het zijn dezelfde zes kilometers als die van de eerste beklimming, met het verschil, dat ik er nu al tien uur en 100 kilometer op heb zitten. Het is inmiddels ook koud geworden, dus ook maar mijn jasje aangetrokken. Dat dit geen overbodige luxe is blijkt, als ik de eerste bocht na het chateau neem. De mistral blaast in volle hevigheid de koude wind in mijn gezicht. Shit!!
Een bocht naar links betekent even de luwte van de berg, maar een bocht naar rechts…….

Langzaam, erg langzaam, kruip ik naar boven. Mijn benen doen zeer, mijn kont doet zeer, de wind is koud en ik ben moe, erg moe. Maar ik ben hier gekomen met maar een doel, en dat is om een officiële malloot te worden. Nu snap ik ook waarom. Als ik bij voor de derde keer bij Tommy Simpson langs kom besluit ik er even bij te gaan zitten. Een vriendelijke Fransman wil me wel even op de foto zetten en ik leg hem uit waar ik mee bezig ben. Ook op zijn gezicht valt het woord malloot te lezen.

In de laatste bocht naar links krijg ik kramp. Nog 400 meter en ik krijg kramp! Het muurtje in de bocht bied beschutting van de wind en ik laat even de benen rusten. Maar niet te lang, want ik wil verder, ik wil naar boven, ik wil wel, maar… Dan voor de laatste keer verzamel ik al mijn krachten en stap weer op mijn stalen ros (van aluminium en carbon) en kwam, zag en overwon! Uitgeput en uitgewoond kom ik even voor zessen op de top aan en terwijl ik mijn laatste meters fiets gaat mijn telefoon. Wat een timing; het is Bernard uit Kollum.

Inmiddels ben ik erbij gaan zitten. Achter de snoepkraam tegen de muur in het zonnetje. Dan komt er een Fransman op me af en biedt me een lekker snoepje aan. “You made it”, het is dezelfde man als bij het monument van Tommy. Ik drink wat en eet wat en denk “nu een souvenir en dan naar beneden”. Als ik mijn been optrek om te gaan staan gaat het weer mis; kramp. Nou ja, dan maar het andere been, ai weer kramp. Een half uur en veertien krampaanvallen later kruip ik overeind en loop nog een beetje over de berg heen en weer. In het winkeltje nog een kleine souvenir en dan weer voor de laatste keer naar beneden.
Deze afdaling is alleen nog maar genieten. Ruim zeventig in het uur en vrij baan. In no time sta ik weer in Bedoin bij het fonteintje. De doop wordt afgemaakt als ik mijn gezicht in het fonteintje was. Bij de cycle shop zijn ze nog aanwezig, dus daar haal ik nog een laatste stempel en ga moe en voldaan terug naar de camping. Ik heb het gered, ik ben een malloot!

Tja, nu weet zo ongeveer iedereen in mijn omgeving wel dat ik een malloot ben, maar met deze memorabele tocht heb ik het toch nog maar een keer bewezen. En ik ben er best trots op. Het verlangen is gedoofd, maar de waakvlam brandt nog wel….  Op naar een volgende uitdaging.

Geef een reactie